Vermaningspad 2008 was groot succes!
Op donderdag 1 mei 2008 – Hemelvaartsdag - was de dag van het Doperse
“Vermaningspad”. De 25 jaar er voor vond deze fiets/auto tocht langs
doops-gezinde kerken en plekken beurtelings plaats in Noord Holland en
Friesland. Voor 2008 moest u echter in Twente zijn.
De doopsgezinde gemeenten Almelo, Borne, Twente-Oost én de
Mennonitengemeinde Gronau (Westfalen) hadden boeiende routes uitgezet.
Om 10:00 uur was de ontvangst in de Doopsgezinde Kerk te Almelo én in de
Mennonitengemeinde Gronau in Gronau (Westfalen). Hier werd men ontvangen met
koffie en thee en kon men inschrijven en het Vermaningspad-boekje in ontvangst
nemen (bevat historische overzichten, routekaarten en -beschrijvingen).
Om 10:30 uur vond in de kerk in Almelo een voordracht plaats met het
onderwerp ‘de Doops-gezinden in Twente’; Om 15:45 uur was in Gronau het
onderwerp: “Geschiedenis van de Mennonieten in Westfalen, speciaal hun aandeel
in ‘de vluchtweg’ voor Russische Mennonieten”. (staat onder aan deze pagina!)
In de Gronause kerk staat een tentoonstelling opgesteld die een beeld geeft van
de Menniste geschiedenis aldaar.
In Almelo was het Wevershuisje speciaal geopend. Daar werd een demonstratie
weven gegeven. Men kon vanuit Almelo per auto langs alle Menniste
historische plekken, die in beide fiets- tochten genoemd worden. De auto-tocht
eindigde in Gronau.
Vanuit Almelo kon men per fiets naar Borne en weer terug (ca. 25 km)
door het Twentse landschap langs een aantal Menniste plekken: een ‘eigen’
begraafplaats in Borne, de Vermaning in Borne (tentoonstelling) en het
vlaknaast gelegen Bussemakershuis, waar een uitgebreide tentoon-stelling is
over het leven van de oer-doperse familie Bussemaker. Na terugkomst in Almelo
kon men, naar eigen keus, naar Gronau rijden voor de afsluitende vesperviering.
Vanuit Gronau ging het per fiets richting Enschede, langs de huidige
Doopsgezinde Kerk (tentoonstelling) en de voormalige Doopsgezinde Kerk aan de
Stadsgravenstraat (59) naar de schuur bij Twekkelo, waar de eerste Mennonieten
in het verborgene hun godsdienstoefeningen konden (en later: mochten) mochten
houden. Van daar terug naar Gronau. (Totaal ca. 22 km).
Om 16:30 uur was in de Mennonitenkirche in Gronau de afsluitende vesper,
waarin ds. Jelmer Koornstra voorging. Daarna was er nog gelegenheid tot
napraten onder het genot van een frisdrank, koffie, thee of een biertje.
De
schuilkerk in Twekkelo
Eén van de eerste gebouwen van de doopsgezinden in Twente – de schuilkerk
in Twekkelo – bestaat nog steeds.
Het gaat hier om een boeren schuur uit de 17e eeuw, die gelegen
is aan de Haimerweg in Twekkelo en die eeuwen lang heeft gediend als Vermaning
voor de Dopersen uit Twente. Deze plaats van “vergadering” is dus aanzienlijk
ouder dan de (schuil)kerk van Almelo en kan op één lijn worden geplaatst met de
veel meer bekende Formanje uit Pingjum.
De Doopsgezinden, die in de 16e en 17e eeuw in Twente
woonden zijn voor een belangrijk deel afkomstig uit het huidige Westfalen. Maar
ze werden van verschillende kanten vervolgd. Na de troebelen in Münster - van
1534 -’35, toen Jan van Leyden daar het “Nieuwe Sion“ stichtte - waren ze in
Duitsland niet erg meer gezien. Velen vluchtten naar de Republiek, maar ook
daar had het Staatse bewind niet zo veel op met mensen die het gezag van God
stelden boven dat van de overheid. In 1544 werden de Freules van Beckum
terechtgesteld, omdat zij zich met de dopersen inlieten.
In de eerste helft van de 17e eeuw werd de greep van de Hervormden op het
staatsbestel zo groot, dat de Drost van Twente – Unico Ripperda te Boekelo – in
1622 een plakkaat liet uit-vaardigen waarin werd opgeroepen alle bijeenkomsten
van Doopsgezinden zo veel mogelijk te storen.
Men heeft toen meer dan een eeuw lang de nog steeds
bestaande schuur aan de Haimerweg No. 225 (bij de boerderij van de familie
Assink), gebruikt om bij elkaar te komen. Halverwege de 18e eeuw
werd het de dopersen toegestaan zich in de steden te vestigen, het eerst in
Almelo. Geleidelijk is toen het gebruik van de schuur in Twekkelo verminderd.
Maar nog steeds staat daar een uniek rijksmonument te pronken. Ervoor staat
een gedenk-steen, die in 1926 werd aangebracht met het opschrift
"In deze schuur hielden twentsche doopsgezinden in de 17de
eeuw in t geheim hunne godsdienstoefeningen”.

Het laatste nieuws: de toespraak van Stefan van Delden
over de gemeente Gronau:
De Mennonietengemeente in Gronau
Sinds het midden van de 19e eeuw zijn er Mennonieten in
Gronau. Dat waren fabrikanten en textielvakmensen, vaak van Nederlandse afkomst,
uit Losser en Glanerbrug, die zich hier kwamen vestigen.
Zij bleven lid bei de doopsgezinde gemeente in de
buurstad Enschede, ofschoon de predikanten van daar ook wel naar Gronau kwamen.
Van eerste kerkdiensten wordt al in 1864/65 gesproken, maar regelmatige
diensten werden pas vanaf 1889 gehouden, eveneens door Nederlandse predikanten
en in de Nederlandse taal.
Een kerkgebouw was er nog niet, daarom werden de diensten
in privé-huizen gehouden.
Vanaf 1887 kwamen er plannen voor een eigen gemeente. Een
eerste ledenvergadering zou op 4 februari 1888 zijn gehouden. De gemeente kreeg
haar wettelijk bestaansrecht echter pas met de statuten van 8 november 1899 en
de erkenning als rechtspersoon op 14 augustus 1900.
Toen waren er 22 mensen lid van de gemeente.
De uit Nordhorn afkomstige textielfabrikant Mathieu van
Delden doneerde reeds in 1887 een kavel aan de Hohe Strasse voor de bouw van
een kerk en zegde meteen 10000 Mark voor het gebouw toe. De kerk kon echter pas
aan het begin van de 20e eeuw worden gebouwd en werd op 24 juli 1904 feestelijk
ingewijd.
Op 20 maart 1945 werd het mooie kerkgebouw door
bommen volledig verwoest, op het fundament / de preekstoel en het voorste deel
met het oude orgel na. De behouden onderdelen werden opgeslagen. De plannen
voor het herstel van de kerk begonnen in 1948 op gang te komen en in april 1950
kon de kerk in de huidige vorm op dezelfde plek met een feestelijke dienst
geopend en ingewijd worden.
De kosten bedroegen toen 160.000,- DM (vandaag de
dag onvoorstelbaar). In het jaar 2004 hebben we het 100 jarig bestaan van een
kerk op deze plek gevierd. Enkele restexemplaren van de daar bij behorende
brochure zijn nu nog voor €3,- per stuk te verkrijgen.
Tot in de jaren 90 van de 19e eeuw werden de
zonen en dochters van de Mennonieten in Enschede gedoopt, de eerste dopen in
Gronau waren in 1901. De doopleeftijd lag toen bij 21 tot 25 jaar, terwijl die
tegenwoordig bij 16 tot 20 jaar ligt.
De goede banden met de gemeente Enschede werden
helaas zeer vertroebeld door de eerste wereldoorlog (1914-1918) en het beperkte
grensverkeer werkte er aan mee dat de verbindingen naar Nederland aan het begin
van de jaren 20 van de vorige eeuw formeel werden verbroken.
1921 sloot de gemeente zich aan bij de oostfriese
gemeenten Emden, Leer en Norden en vormden samen de „Konferenz der
Nordwestdeutschen Mennonitengemeinden“ die met elkaar de eerste Duitstalige
prediker (Abraham Fast) in dienst namen, omdat de gemeenten apart te klein
waren om een eigen voltijd dominee te onderhouden.
De samenwerking omhelsde echter meer dan alleen
de predikplaats. De gemeenten creëerden een organisatie die haar grenzen enkel
en alleen had in de eenheid van het vrije christelijke geloof, en in de
vrijgevigheid waarmee alle deelnemers het geheel hielpen financieren.
Dat is nog steeds zo en deze vereniging van
gemeenten – die wij "Konferenz" noemen- bestaat tot vandaag de dag,
heeft een gezamenlijke dominee en regelt haar zaken autonoom.
Indertijd zo vaak als nodig, vandaag minimaal
eens in het jaar, komen de kerkenraden bijeen voor overleg en besluitvorming
bij toerbeurt in één van de gemeenten.
De gemeente in Gronau telt nu 50 leden.
In 1922 kwamen 28 mennonitische families van Duitse
oorsprong naar Gronau, die met achterlating van al hun hebben en houden voor de
bolsjewieken uit de Sowjetunie waren gevlucht. Zij werden, ook met hulp van de
Nederlandse doopsgezinden, hier opgevangen en in de toen net nieuwe
textielarbeiders- woningen ondergebracht. Ze konden in de textielindustrie aan
het werk.
De meesten bleven echter maar kort om vervolgens verder
te trekken naar familie in Canada. Slechts vijf families vonden in Gronau een
thuis.
Ook na de tweede wereldoorlog werd Gronau een
tussenstation voor veel mennonitische vluchtelingen uit de UdSSR, Polen,
Galicië en uit Westpruisen, die om hulp aanklopten bij de mennonieten in
Duitsland.
Een oplossing werd snel gevonden en wel in de emigratie
naar landen die bereid waren deze vluchtelingen op te nemen. Liefst moesten dat
landen zijn waar al mennonieten leefden en waar de vluchtelingen al enige
familie hadden, omdat in het verwoeste Duitsland de opname van zo veel mensen zo
goed als onmogelijk was.
Als emigratielanden kwamen in eerste instantie Noord
Amerika, Verenigde Staten en Canada, en Zuid Amerika met Argenitnië, Uruguay en
Paraguay in aanmerking.
Onder auspiciën van het Mennonite Central Committee
(MCC), het hulpwerk van de Amerikaanse en Canadese mennonieten, werden de
vluchtelingen hier opgevangen en van kleding en voedsel voorzien.
Tegelijk hebben zowel de mennonitische vluchtelingen als
wij in de gemeente tot onze grote vreugde de broederlijke hulp van de
Nederlandse doopsgezinden mogen ervaren.
Dat was echt niet zo vanzelfsprekend, als men bedenkt dat
de Nederlandse doopsgezinden net behoorlijk onder het nationaal socialisme
hadden geleden.
Dit feit had de broeder/zusterlijke banden tussen de
Nederlandse doopsgezinden en de Duitse mennonieten zwaar belast.
Halverwege 1947 werd hier in Gronau een kamp ingericht
waar meer dan 5000 mennonitische vluchtelingen voor korte of langere tijd
verbleven vóór ze verder reisden. Gemiddeld leefden hier 600 tot 700 personen,
met pieken van 1000, wachtend op hun verdere reis.
In het kamp werd al gauw een comité voor kerkelijke
aangelegenheden opgericht, dat zelfs vanaf oktober 1947 tot midden 1950 twee
keer per maand een eigen kleine krant uitgaf, genaamd “Unser Blatt”, eerst met
1000, later met bijna 4000 exemplaren per nummer. Deze krant probeerde een
verbinding tot stand te brengen tussen alle mennonitische vreemdelingen en
pelgrims in Duitsland.
Naast geestelijke artikelen gaf het blad vooral
informatie over emigratiemogelijkheden naar die landen die bereid waren
vluchtelingen op te nemen, probeerden zij families te herenigen middels
zoekadvertenties en berichtte regelmatig over de ondernomen emigratieacties
waarbij elke keer de aantallen werden genoemd van hen die daadwerkelijk
geëmigreerd waren.
Er werd een eigen school in kamp Gronau opgezet voor
ongeveer 130 kinderen van vluchtelingen, zodat de kinderen, die soms maanden-
ja zelfs jarenlang geen school meer hadden bezocht, weer geregeld onderwijs
konden genieten.
Er werd ook een hospitaal opgezet voor die mensen onder
de vluchtelingen wier gezondheid te zwak was voor de emigratie-vergunning.
Dank zij deze zorg konden velen weer zo ver herstellen
dat hun emigratie uiteindelijk toch werd goedgekeurd.
De kampgemeente beleefde een rijk geestelijk leven en had
zelfs een eigen koor.
De zondagse diensten met aansluitende zondagsschool
vonden regelmatig plaats in de zaal “Concordia”, die vaak te klein was. Niet
zelden lieten zich bij doopfeesten 50 tot 100 jonge volwassenen dopen.
De mannen en vrouwen die konden werken vonden werk in de
toen nog grote textielindustrie, zodat ook de materiële kant van de meeste
families in orde was.
De meeste vluchtelingen emigreerden naar Zuidamerika
(Argentinië, Paraguay en Uruguay) en naar Canada, minder naar de VS en andere
landen die scherpere toelatingseisen stelden.
Om het beeld compleet te maken moet nog worden gezegd dat
het MCC haar activiteiten tot 1952 voortzette, waarbij het zwaartepunt op het
laatst niet meer bij de emigratie maar bij de verzorging lag van de 150
personen die in en om Gronau bleven wonen. Zij wilden of konden niet emigreren
op grond van leeftijd en/of ziekte. Eind 1952 werd het kamp gesloten en vanaf
1953 werd de Mennonieten gemeente Gronau verantwoordelijk voor de verzorging
van de achtergebleven vluchtelingen, zij het met hulp van het MCC, dat voor
kleding en voedsel bleef zorgen.
Dit werk eindigde in 1958 omdat vele oudere mensen
intussen overleden waren en de andere vluchtelingen bij familie elders in
Duitsland waren gaan wonen of hier een eigen woning hadden gevonden.
Er zou over deze tijd nog heel wat te zeggen zijn, maar
dat voert hier te ver.
Gronau is door dit kamp een begrip geworden voor
Mennonieten in vele delen van de wereld. Een dorp in de Chaco in Paraguay, dat
in 1948 door mennonitische vluchtelingen gesticht werd, draagt tot vandaag de
naam Gronau.
In 1971 kwamen 14 mennonitische families uit Paraguay
terug in Gronau, nadat ze eerder van hier uit geëmigreerd waren.
De gemeente in Gronau heeft zich zo goed mogelijk om hen
bekommerd, hen aan werk en woningen geholpen en probeerde hen een thuis te
bieden. Dat is jammer genoeg niet altijd gelukt omdat de gemeenteopvattingen te
verschillend waren. Sommigen zijn naar andere gemeenten in Duitsland getrokken,
of naar familie, en sommigen gingen zelfs opnieuw naar Zuidamerika.
Enkelen zijn echter gebleven en horen nog steeds bij onze
gemeente, waarbij een groep van 10 mensen uit Westpruisen die nu in Münster
thuis zijn.
De toekomst van onze Nordwestdeutsche Konferenz,
en daarmee ook die van de mennonieten gemeente Gronau, is problematisch.
Het zijn hoofdzakelijk de jonge mensen die nog wel in de
gemeente opgroeien en zich laten dopen, maar die na hun middelbare school voor
studie en beroepsopleiding Gronau verlaten en maar zelden later terugkomen.
Zij voelen zich weliswaar nog bij de gemeente betrokken
en betalen hun bijdrage, maar nemen behalve op hoogtijdagen niet deel aan het
gemeenteleven.
Omdat er niet overal mennonietengemeenten zijn is het
voor hen vaak moeilijk ergens anders aansluiting te vinden.
Een ander probleem is de minderheid die de mennonieten in
het christelijke spectrum vormen. Het lukt maar weinig jonge mensen een
mennonitische levenspartner te vinden.
Ook het kindertal per familie neemt af. De geboorterijke
jaren zijn voorbij. Jeugd en doopgroepen van 10 tot 15 jeugdigen van een zelfde
leeftijd, zoals die er nog waren rond 1970, zijn er niet meer.
Al kunnen we vaststellen dat mennonieten gemeenten staan
voor bepaalde theologische posities als volwassen doop, geen eed afleggen,
vrede, diaconie, autonomie en weerloosheid, moeten we toegeven dat deze
inzichten ook in andere kerken leven.
De theologische conflictlijnen lopen tegenwoordig dank
zij de oecumene niet meer langs de confessionele kerkgrenzen maar zijn veel
vloeiender geworden.
Wij zullen dus met deze gemeentekrimp moeten leven, er op
vertrouwend dat God de gemeente naar zijn raadsbesluit op de juiste weg zal
leiden.
***